Op 8 september 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Inter IKEA Systems uitspraak gedaan over de verhouding tussen het merkenrecht en de vrijheid van meningsuiting. De vraag die centraal stond was of een politieke partij zich op de vrijheid van meningsuiting kan beroepen als geldige reden voor het gebruik van een bekend merk.
Volgens het Hof in beginsel wel. De vrijheid van meningsuiting, daaronder begrepen de vrijheid om politieke meningen te verkondigen en de politieke parodie, kan in beginsel een geldige reden vormen voor het gebruik van een bekend merk. Dat betekent echter niet dat de vrijheid van meningsuiting automatisch voorrang heeft op het merkenrecht. Er moet steeds een concrete afweging plaatsvinden tussen de belangen van de merkhouder en van degene die het merk gebruikt.
Het IKEA-plan van Vlaams Belang
Het geschil is ontstaan naar aanleiding van een campagne van de Belgische politieke partij Vlaams Belang. In 2022 presenteerde de partij een plan voor de hervorming van het Belgische asiel- en immigratiebeleid onder de naam ‘IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders’.
Het bleef niet bij het gebruik van slechts de letters IKEA. In de campagne werden ook tekens en illustraties gebruikt die overeenkomen met de IKEA-merken en figuurtjes die lijken op die in de montagehandleidingen voor de waren van de Zweedse onderneming. De campagne werd tijdens een persconferentie gepresenteerd en vervolgens via sociale media verspreid.
Inter IKEA Systems, houder van de betrokken merken, maakte bezwaar tegen dit gebruik en stelde een vordering in bij de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel wegens inbreuk op de IKEA-merken. Vrijheidsfonds, de vereniging die de campagne voor Vlaams Belang voerde, erkende dat de IKEA-merken zonder toestemming waren gebruikt. Volgens Vrijheidsfonds was het gebruik echter gerechtvaardigd, omdat het gebruik van de bekendheid van de IKEA-merken bedoeld was om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding daarvan te vergroten. Zij deed daarbij een beroep op de “geldige reden” in de zin van artikel 9 lid 2, onder c van Verordening 2017/1001 (“de Uniemerkenverordening”) en artikel 10 lid 2, onder c en lid 6 van Richtlijn 2015/2436 (de “Merkenrichtlijn”). Daarbij werd een beroep gedaan op de vrijheid van meningsuiting, waaronder de vrijheid om politieke opvattingen te uiten en gebruik te maken van politieke parodie.
De Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel legde daarop prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie.
Bekende merken en de geldige reden
Bekende merken genieten een ruimere bescherming. Op grond van artikel 9 lid 2 onder c van de Uniemerkenverordening kan de houder van een bekend Uniemerk onder omstandigheden optreden tegen het gebruik van een gelijk of overeenstemmend teken wanneer daardoor zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit, of afbreuk wordt gedaan aan, het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
Een vergelijkbare regeling is opgenomen in artikel 10 lid 2 onder c van de Merkenrichtlijn. Daarnaast laat artikel 10 lid 6 van die richtlijn bescherming toe tegen bepaalde vormen van gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. Voor Benelux-merken is die laatste bescherming terug te vinden in artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE.
Voor een beroep op een ‘geldige reden’ kunnen de belangen van degene die het teken gebruikt ook een rol spelen. Daar komt de vrijheid van meningsuiting in beeld.
Vrijheid van meningsuiting kan een geldige reden zijn
Het Hof stelt voorop dat het intellectuele-eigendomsrecht wordt beschermd door artikel 17 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daar staat de vrijheid van meningsuiting uit artikel 11 van het Handvest tegenover. Geen van beide grondrechten is absoluut.
De vrijheid van meningsuiting kan daarom volgens het Hof in beginsel een geldige reden vormen voor het gebruik van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een bekend merk. Een algemeen beroep op de vrijheid van meningsuiting is echter niet voldoende. Degene die het merk gebruikt, moet concreet uitleggen waarom het gebruik van juist dat merk samenhangt met de uitoefening van zijn vrijheid van meningsuiting. Vervolgens moet worden beoordeeld of dat belang in de omstandigheden van het geval zwaarder weegt dan de rechten en belangen van de merkhouder.
Welke omstandigheden zijn van belang?
Het Hof geeft de nationale rechter een aantal concrete aanknopingspunten voor deze belangenafweging. Een dergelijke afweging vereist een beoordeling van het relatieve belang van deze rechten in hun concrete aspecten, de noodzaak om elk van deze rechten te beperken dan wel te beschermen, en de evenredigheid tussen de ingezette middelen en het nagestreefde doel.
Allereerst is het oogmerk van de gebruiker van belang. Het merkgebruik moet zijn ingegeven door een te goeder trouw uitgeoefende vrijheid van meningsuiting. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de uiting daadwerkelijk betrekking heeft op het merk, de merkhouder, zijn handelspraktijken of zijn waren of diensten. Ook kan relevant zijn dat het gebruik noodzakelijk is om deel te nemen aan een debat van algemeen belang, of dat een merk inmiddels een culturele referentie of onderdeel van het dagelijks taalgebruik is geworden. Een derde mag het teken niet gebruiken met het oogmerk om afbreuk te doen aan het bekende merk en het onderscheidend vermogen ervan, of om in het kielzog van het bekende merk te varen.
Daarnaast moet worden gekeken naar de aard van de uiting. Met name is relevant of zij bijdraagt aan een debat van algemeen belang en of zij plaatsvindt in een strikt commerciële of juist niet-commerciële context. Politieke uitingen en kwesties van algemeen belang wegen in dat verband zwaar. Ook wordt er rekening gehouden met de vorm van de uiting en het eventuele satirische karakter ervan. Satire is een vorm van artistieke uiting en maatschappelijk commentaar die ertoe strekt te provoceren en te prikkelen.
Daartegenover staan de gevolgen van het gebruik voor de merkhouder. Daarbij kunnen onder meer de intensiteit en omvang van het gebruik, de wijze waarop het merk wordt gebruikt, de bekendheid van het merk en de mate van overeenstemming tussen het gebruikte teken en het merk een rol spelen. De merkhouder hoeft het gebruik niet te tolereren dat hem onevenredige schade kan berokkenen of zelfs afbreuk kan doen aan de essentie van het recht dat verbonden is aan de inschrijving van het merk.
Een relevant gezichtspunt is volgens het Hof bovendien of door het gebruik de indruk kan ontstaan dat de merkhouder de politieke boodschap onderschrijft of ondersteunt. Dat kan extra zwaar wegen wanneer de merkhouder juist politieke neutraliteit nastreeft of wanneer de politieke boodschap niet verenigbaar is met de waarden die de onderneming uitdraagt.
Geen vrijbrief voor politieke parodie
Hoewel het onderwerp van de campagne van Vlaams Belang onderdeel is van een debat van algemeen belang, betekent dit volgens het Hof nog niet dat ook het gebruik van de IKEA-merken gerechtvaardigd is.
De politieke boodschap had namelijk geen inhoudelijke betrekking op IKEA, haar producten, haar bedrijfsvoering of haar handelspraktijken. Het merk werd in wezen gebruikt vanwege zijn grote bekendheid en herkenbaarheid, om daarmee extra aandacht voor de politieke boodschap te genereren.
Daar komt bij dat tekens werden gebruikt die sterk overeenstemden met of gelijk waren aan de IKEA-merken en dat het gebruik herhaaldelijk en via internet onder een potentieel onbeperkt publiek werd verspreid. Ook kon niet worden uitgesloten dat het publiek de indruk zou krijgen dat IKEA achter de politieke boodschap stond, terwijl IKEA zich juist op politieke neutraliteit beriep.
Het Hof komt daarom tot de conclusie dat het er in deze omstandigheden niet op lijkt dat het belang van Vrijheidsfonds bij de politieke meningsuiting zwaarder weegt dan de rechten en belangen van IKEA. De definitieve beoordeling daarvan is echter aan de Belgische rechter.
Betekenis voor de praktijk
Hof van Justitie bevestigt met dit arrest dat politieke meningsuiting en politieke parodie een geldige reden kunnen vormen voor het gebruik van een bekend merk. Er is echter wel een grens. Vooral van belang is waarom juist dat merk voor de uiting wordt gebruikt.
Steeds moet een belangenafweging worden gemaakt tussen de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker en het merkenrecht en de belangen van de merkhouder. Wanneer een merk bijvoorbeeld wordt gebruikt om kritiek te leveren op de merkhouder of zijn producten, of wanneer het merk zelf onderdeel vormt van het maatschappelijke debat, zal de vrijheid van meningsuiting in de belangenafweging eerder zwaarder wegen. Anders is dat wanneer een bekend merk vooral wordt ingezet om aandacht te trekken voor een boodschap die inhoudelijk niets met het merk of de merkhouder te maken heeft.
Kortom, de vrijheid van meningsuiting kan merkgebruik rechtvaardigen, maar biedt geen vrijbrief om zonder meer mee te liften op de bekendheid van een merk.
Meer weten? Neem dan contact op met onze IE-specialisten.




Neem contact op