Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers beoogt meer zekerheid te bieden aan werknemers met een flexibele arbeidsovereenkomst, zoals uitzendkrachten. Het wetsvoorstel bevat verschillende maatregelen die de rechtspositie van flexwerkers versterken. Het voorstel is op dit moment in behandeling bij de Tweede Kamer. Sommige maatregelen die gaan gelden voor uitzendkrachten zijn voor een groot gedeelte al opgenomen in de geldende cao’s voor de uitzendbranche (CAO NBBU of CAO ABU). In dit blog zullen wij ingaan op dit wetsvoorstel.
Maatregelen wetsvoorstel
Het wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen:
Ketenregeling
Op dit moment mogen werkgevers een werknemer na een onderbreking van zes maanden opnieuw een tijdelijke arbeidsovereenkomst aanbieden. Dit geldt zodra de keten van tijdelijke arbeidsovereenkomsten de maximale duur van drie jaar heeft overschreden of drie opeenvolgende tijdelijke overeenkomsten zijn aangegaan. In het wetsvoorstel wordt deze onderbrekingstermijn verlengd van zes maanden naar vijf jaar. Deze onderbrekingstermijn is eveneens van toepassing op fase A en fase B bij een uitzendovereenkomst.
Dit betekent dat wanneer een werknemer na het bereiken van de maximale keten opnieuw bij dezelfde werkgever in dienst wil treden, de werkgever verplicht is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, tenzij sprake is van een onderbreking van ten minste vijf jaar.
Voor scholieren en studenten blijft de kortere onderbrekingstermijn van zes maanden ongewijzigd van toepassing.
Oproepovereenkomsten
Oproepovereenkomsten, waaronder nulurenovereenkomsten, worden volledig afgeschaft. Deze overeenkomsten worden vervangen door zogeheten basiscontracten. In een dergelijke overeenkomst wordt vooraf een minimum- en maximumaantal uren per week afgesproken. De werknemer wordt in elk geval voor deze minimumuren betaald. Oproepen die het overeengekomen maximumaantal uren overschrijden, mogen door de werknemer geweigerd worden. Jongeren met een bijbaan, zoals scholieren en studenten, mogen wel op basis van een nulurenovereenkomst blijven werken.
Uitzendkrachten
Daarnaast wil het kabinet de positie van uitzendkrachten verbeteren. Er blijft ruimte voor uitzendwerk, maar er mag geen concurrentie op arbeidsvoorwaarden zijn tussen de uitzendkracht en een werknemer die direct bij de inlener werkt. Daarom heeft een uitzendkracht recht op een gelijkwaardige beloning. Dit betekent dat de uitzendkracht en de werknemers van het inlenende bedrijf ten minste hetzelfde moeten verdienen voor hetzelfde werk.
Daarnaast worden de meest onzekere uitzendfasen verkort: fase A (fase 1-2) gaat van 78 weken naar 52 weken en fase B (fase 3) van 6 uitzendovereenkomsten in 3 jaar naar 6 uitzendovereenkomsten in 2 jaar. Na deze periode moet de uitzendkracht een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd krijgen bij het uitzendbureau.
Cao uitzendbranche
Zoals aangegeven, hebben de cao-partijen voor de uitzendbranche vooruitlopend op dit wetsvoorstel een aantal van deze maatregelen al opgenomen in de nieuwe cao’s. Het gaat daarbij met name om de gelijkwaardige beloning. Daarnaast zijn in de cao voor de uitzendbranche verdere wijzigingen doorgevoerd, waaronder de pensioenregeling. Vanaf 1 januari 2026 bouwen uitzendkrachten pensioen op vanaf hun eerste werkdag. De wachttijd van 26 weken vervalt.
Er komt één regeling via StiPP (de pensioenregeling voor flexkrachten) voor alle uitzendkrachten. Er is dus geen basis- en plusregeling meer.
De totale pensioenpremie is 23,4% van het pensioengevend loon:
- 15,9% betaalt de werkgever
- 7,5% betaalt de werknemer
Deze nieuwe regeling zorgt voor een beter pensioen voor uitzendkrachten. Als de pensioenpremie die de werkgever via StiPP betaalt lager is dan het pensioen bij de inlener, dan moet de werkgever het verschil bijbetalen.
Vragen?
Heeft u vragen over dit wetsvoorstel of andere vragen over het arbeidsrecht, neem dan gerust contact op met een van onze advocaten van het Team Arbeidsrecht.




Neem contact op