In 2017 stortte de parkeergarage bij vliegveld Eindhoven in. In die garage waren bollenplaatvloeren toegepast. Een bollenplaatvloer is een specifiek type breedplaatvloer, waarbij het deel van de betonvloer dat geen constructieve betekenis heeft wordt voorzien van met lucht gevulde kunststof bollen. Uit onderzoeken van TNO en Adviesbureau Hageman is vervolgens gebleken dat vloeren die zijn uitgevoerd met breedplaten in bepaalde gevallen onveilig kunnen zijn. Daardoor is de vraag ontstaan of bestaande gebouwen met bepaalde breedplaatvloeren wel voldoende veilig zijn. Het gaat dan met name om breedplaatvloeren met grote overspanningen (> 8,5 meter).
Rekenregels in stappenplan
In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben TNO en Adviesbureau Hageman in 2019 rekenregels opgesteld voor het beoordelen van constructies van dergelijke vloeren. Deze rekenregels zijn vastgelegd in een stappenplan. In het Bouwbesluit en inmiddels de Omgevingsregeling is bepaald dat eigenaren van bouwwerken met bepaalde breedplaatvloeren de verplichting hebben om onderzoek te verrichten volgens de rekenregels van het stappenplan. Indien vloeren niet voldoen dan dienen deze te worden versterkt of het gebruik moet worden aangepast.
(Ernstig) gebrek?
Het is echter de vraag of een vloer die rekenkundig niet voldoet ook feitelijk in de praktijk gebrekkig is. En als meer dan 5 jaar na de oplevering (en de eventuele onderhoudstermijn) een procedure tegen de aannemer wordt gestart, dan dient zich bij UAV en UAV-GC contracten ook de vraag aan of sprake is van een ernstig gebrek. Als geen sprake is van een ernstig gebrek, dan is de vordering namelijk niet-ontvankelijk volgens de regels van de UAV en UAV-GC.
Over deze vragen heeft de rechtbank Noord-Nederland en vervolgens het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld. Recent heeft ook de procureur-generaal bij de hoge raad hierover geadviseerd. Ik zal de beslissingen van de rechtbank en het hof en het advies van de procureur-generaal hierna toelichten.
Rechtbank Noord-Nederland 15 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1083
Waar ging de zaak over?
In 2023 oordeelde de rechtbank Noord-Nederland over een zaak waarin een gebouweigenaar op basis van de rekenregels in het stappenplan had vastgesteld dat de bollenplaatvloeren in zijn gebouw niet veilig waren en hij de aannemer van het gebouw hiervoor aansprakelijk had gesteld. Tussen de gebouweigenaar en de aannemer was een aannemingsovereenkomst gesloten op basis van de UAV-GC 2005. Het gebouw was op 28 november 2008 opgeleverd, waarna een onderhoudstermijn ging lopen van 1 jaar. Het gebouw is sindsdien probleemloos in gebruik. Na de instorting van de parkeergarage in Eindhoven in 2017 heeft de gebouweigenaar de vloeren van zijn gebouw rekenkundig laten onderzoeken aan de hand van het stappenplan. Zijn deskundige concludeert dat de vloeren niet voldoen. De gebouweigenaar is bij dagvaarding van 26 november 2019 een procedure bij de rechtbank gestart. Hij stelde dat sprake was van een toerekenbare tekortkoming van de aannemer in verband met ernstige gebreken. Daarnaast beriep hij zich op een tien jaar durende garantie van de aannemer. De aannemer betwistte dat sprake was van een (ernstig) gebrek en stelde niet aansprakelijk te zijn.
Rekenkundig gebrek is nog geen feitelijk gebrek
De rechtbank oordeelde dat in beginsel sprake is van een gebrek als breedplaatvloeren in het gebouw niet voldoen aan de rekenregels van het stappenplan, maar overweegt ook dat er nader onderzoek nodig is om vast te kunnen stellen of in de praktijk ook sprake is van een feitelijk gebrek. Daarvoor is een proefbelasting door een deskundige nodig volgens de rechtbank.
Is sprake van een ernstig gebrek?
Volgens de rechtbank is de aannemer alleen aansprakelijk als sprake is van een ernstig gebrek in de zin van § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005. Is hiervan geen sprake dan is de vordering van de opdrachtgever niet ontvankelijk omdat bij de start van de gerechtelijke procedure meer dan 5 jaar is verstreken na de oplevering en de onderhoudstermijn.
Er is volgens § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005 sprake van een ernstig gebrek als het gebouw geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten, hetzij ongeschikt is geraakt of dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst is bedoeld en dit slechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of worden voorkomen.
Dat hiervan sprake was, was volgens de rechtbank onvoldoende aangetoond. Ook hiervoor was de proefbelasting nodig.
Beroep op garantie afgewezen
De discussie over de ontvankelijkheid van de vordering (is sprake van een ernstig gebrek?) zou niet aan de orde zijn indien de rechtbank het beroep van de gebouweigenaar op de tien jaar durende garantie van de aannemer had gehonoreerd. Uit de tekst van de garantie bleek echter dat die garantie was beperkt tot gebreken die kennelijk te wijten zijn aan “minder goede hoedanigheid” of “gebrekkige uitvoering”. De rechtbank legt deze begrippen uit en oordeelt dat het in deze zaak gaat om constructieve gebreken en niet om specifieke breedplaatvloeren die van mindere kwaliteit zijn dan had mogen worden verwacht. Van een incidenteel geval van mindere kwaliteit/hoedanigheid is, gelet op de aard en omvang van de problematiek, geen sprake volgens de rechtbank.
De rechtbank wijst het beroep op de garantie daarom af. De gebouweigenaar moet het dus hebben van een ernstig gebrek volgens § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005, anders is zijn vordering niet-ontvankelijk. Volgens de rechtbank is daarvoor eerst een proefbelasting nodig.
“State-of-the-art-verweer” aannemer afgewezen
Interessant is dat de rechtbank alvast oordeelde dat de aannemer in geval van een ernstig gebrek aansprakelijk is voor de schade, ook al werd deze toepassing van breedplaatvloeren voor 2017 heel veel gebruikt zonder dat men zich in de praktijk bewust was van de potentiële gevaren. De aannemer stelde dat het eventuele (ernstige) gebrek niet aan zijn schuld te wijten was en beriep zich hiervoor op het zogenoemde “state-of-the-art-verweer”. De rechtbank wees dit beroep af. De systeemfout met deze vloeren had volgens de rechtbank al eerder onderkend kunnen worden, ook zonder de instorting van de parkeergarage in Eindhoven. In de loop der jaren zijn steeds grotere overspanningen gerealiseerd en daarbij is de functie en uitvoering van de wapening ongewijzigd. De aannemer had die ontwikkelingen moeten onderkennen en onderzoeken en dan was het niet onmogelijk geweest om het nadien ontdekte gebrek te ontdekken, volgens de rechtbank. We zullen hierna zien dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hier anders over oordeelt.
Tussenvonnis
In een tussenvonnis oordeelt de rechtbank dat eerst een proefbelasting door een deskundige diende te worden uitgevoerd. De proefbelasting werd echter niet uitgevoerd omdat tegen dit tussenvonnis hoger beroep werd ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hierna bespreek ik de uitspraak van het hof.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:186
Bewijslast
Voor wat betreft de vraag naar de toerekenbare tekortkoming in verband met het vermeende gebrek en de ontvankelijkheid van de vordering gaat het hof in op de vraag welke partij wat moet bewijzen.
(a). De gebouweigenaar moet bewijzen dat sprake is van een gebrek. Komt dat niet vast te staan, dan is een beroep op de gebrekenregeling niet mogelijk.
(b). Als een gebrek komt vast te staan, dan kan de aannemer bewijzen dat dit niet is te wijten aan zijn schuld en het evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. In overeenstemming met de wettelijke regeling (en in afwijking van de UAV-GC) zijn partijen deze bewijsregel expliciet in artikel 13 van de UAV-GC aannemingsovereenkomst overeengekomen.
(c). Als een gebrek komt vast te staan, dan moet de gebouweigenaar – gezien § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005 – ook bewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat dit laatste slechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen. Slaagt hij daar niet in, dan is zijn vordering niet-ontvankelijk.
Beroep op garantie afgewezen
Net als de rechtbank oordeelde het hof dat het beroep van de gebouweigenaar op de tien jaar durende garantie voor de funderingen, de draagconstructie en geprefabriceerde betonnen onderdelen, moet worden afgewezen. Die garantie zag ook volgens het hof op gebreken die kennelijk te wijten zijn aan “minder goede hoedanigheid” of “gebrekkige uitvoering”. Volgens het hof is niet gebleken dat sprake was van, kort gezegd, een slechte “badge” van geleverde breedplaatvloeren of van een projectspecifieke fout in de uitvoering.
State-of-the-art-verweer slaagt wél
Het hof gaat ook in op het “state-of-the-art-verweer” van de aannemer. Anders dan de rechtbank, oordeelt het hof dat dit verweer wél slaagt.
Voor het hof is van belang dat de aannemer niet de producent is van de bollenplaatvloeren. Daarom is volgens het hof niet zonder meer vereist dat het voor de aannemer onmogelijk zou zijn geweest om het nadien geconstateerde gebrek te ontdekken op grond van de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis. Het hof legt de lat voor de aannemer dus iets minder hoog voor een geslaagd beroep op “state-of-the-art” dan de rechtbank.
Het hof overweegt dat de fabrikant van de bollenplaatvloeren voorafgaand aan de introductie uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar de krachtswerking. Nergens blijkt uit dat aannemers erop bedacht moesten zijn dat hierbij geen aandacht is besteed aan het bezwijkgedrag van de voeg met koppelwapening. In tegendeel, zo vindt het hof, de deskundigen zijn het erover eens dat bollenplaatvloeren tot aan de instorting in 2017 in Eindhoven gedurende meer dan 25 jaar zonder problemen internationaal zijn toegepast.
Het hof onderkent wel dat er sprake is geweest van een ontwikkeling dat het detail van de koppelwapening oorspronkelijk alleen werd toegepast bij kleinere overspanningen van één richting overspannende vloeren (waarbij die wapening alleen diende als secundaire verdeelwapening), naar overspanningen die met de komst van de bollenplaatvloeren aanmerkelijk zijn vergroot (waarbij de koppelstaven deel uit gingen maken van de hoofdwapening). Uit niets blijkt echter volgens het hof dat er destijds aanleiding toe bestond over die ontwikkeling vragen te stellen.
Het hof doet de zaak hier overigens niet op af, aangezien hij tot de conclusie komt dat geen sprake is van een ernstig gebrek en de vordering van de gebouweigenaar dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een proefbelasting vindt het hof hiervoor niet nodig. Ik zal het oordeel van het hof over het niet bestaan van een ernstig gebrek, hierna toelichten.
Het oordeel van het hof over het “state-of-the-art-verweer” is wel belangrijk voor aannemers. Immers als vloeren gebrekkig zijn (en geen discussie speelt over de ontvankelijkheid van de vordering) kan de aannemer op grond van dat verweer toch onder aansprakelijkheid uitkomen.
Ernstig gebrek
Volgens gebouweigenaar is voldaan aan het criterium “dreigt in te storten” in § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005 omdat het gebouw, volgens de rekenregels in het stappenplan 2019, niet voldoet aan het afkeurniveau dat is vastgelegd in de NEN8700 (en waarnaar wordt verwezen in het Bouwbesluit). Volgens de gebouweigenaar is hiermee in de ogen van de wetgever sprake van een vanuit maatschappelijke veiligheid onacceptabel hoge kans dat het gebouw bezwijkt. De gebouweigenaar stelt dus het criterium “dreigt in te storten” gelijk aan het rekenkundig niet voldoen aan het afkeurniveau in de NEN8700. Het gebouw wordt wel gebruikt, maar dat gebeurt volgens gebouweigenaar in goed overleg met deskundigen, na het onderstempelen van vloerdelen en gedeeltelijke ontruiming.
Het hof is het niet eens met deze redenering van de gebouweigenaar. Weliswaar is verdedigbaar dat op basis van rekenkundige modellen de conclusie kan worden getrokken dat de vloer niet aan de thans geldende bouwvoorschriften voldoet, maar daar staat volgens het hof tegenover dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is. Volgens het hof blijkt dit ook uit uitlatingen van de deskundige van de gebouweigenaar. Onder meer stelt deze deskundige dat de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoet aan het vereiste veiligheidsniveau niet betekent dat sprake is van een acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw. Het hof overweegt ook dat de gebouweigenaar zelf in de praktijk niet van enig instortingsgevaar is uitgegaan: Het pand is sinds de oplevering op enkele ingrepen en beperkingen na gewoon in gebruik genomen. De gebouweigenaar heeft zelf geschreven dat er in het pand specifieke plekken zijn die in theorie niet aan de geldende normen voldoen, maar dit wil niet zeggen dat deze plekken onveilig zijn, het pand heeft zich immers al 9 jaar bewezen. Volgens het hof staat ook een reëel gevaar van instorting van het nu niet gebruikte deel van het gebouw bij de beoogde belasting nog niet vast.
Het alternatieve criterium voor ernstig gebrek in § 28 lid 2 sub b UAV-GC 2005 is dat het bouwwerk ongeschikt is geraakt of dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bouwwerk bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Het hof oordeelt dat ook aan dit criterium niet is voldaan.
Het hof overweegt dat het op zichzelf denkbaar is dat reële maatregelen die moeten worden getroffen om een rekenkundig risico op instorting te elimineren, zodanig ingrijpend zijn, dat het pand niet meer als kantoorpand kan worden gebruikt. Echter de praktijk is anders, zo oordeelt het hof. Er is niet slechts sprake van tijdelijk gebruik en het gebruik is conform bestemming. Het feit dat enkele tientallen werkplekken niet in gebruik zijn en enkele vloerdelen zijn onderstempeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming.
Het hof komt dus tot het oordeel dat de vordering van de gebouweigenaar niet-ontvankelijk is. De gebouweigenaar is in cassatie gegaan bij de hoge raad.
Conclusie procureur-generaal 20 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:272
Advies p-g: afwijzing cassatieberoep
De hoge raad moet nog oordelen, maar de conclusie van de p-g (het advies aan de hoge raad) is al wel gepubliceerd. De p-g adviseert om het cassatieberoep van de gebouweigenaar af te wijzen. De p-g is het namelijk met het hof eens dat geen sprake is van een ernstig gebrek.
De p-g stelt eerst vast dat het hof overwegingen heeft gewijd aan de vraag of het gebouw gebreken vertoont, maar die vraag niet definitief heeft beantwoord. Het hof heeft de vordering afgewezen op het oordeel dat het beroep op de vervaltermijn van § 28 lid 2 UAV-GC slaagt. De p-g geeft daarom aan dat hij de klachten tegen overwegingen van het hof met betrekking tot de vraag of sprake is van een gebrek onbesproken laat.
Geen ernstig gebrek
De p-g beoordeelt de klachten die betrekking hebben op het oordeel van het hof dat geen sprake is van een ernstig gebrek in de zin van § 28 lid 2 sub UAV-GC. De p-g bespreekt eerst in meer algemene zin § 28 UAV-GC. Onder meer onderbouwt de p-g dat de termijnen in lid 2 van § 28 UAV-GC vervaltermijnen zijn en geen verjaringstermijnen.
De p-g overweegt dat de gebouweigenaar een rechtsvordering heeft ingesteld tussen de vijf en tien jaar na het verstrijken van de oplevering (en de onderhoudstermijn) en het dus erop aan komt of aan het instortings- dan wel het bestemmingscriterium van § 28 lid 2 sub b UAV-GC is voldaan. Wanneer een van beide het geval is, is sprake van een ernstig gebrek en geldt de tienjaars- in plaats van de vijfjaarstermijn, met als gevolg dat de vordering wel ontvankelijk is. Is beide niet het geval, dan is geen sprake van een ernstig gebrek en geldt de vijfjaarstermijn, met als gevolg dat de vordering niet-ontvankelijk is.
De p-g licht toe dat in beide gevallen ((dreigende) instorting en (dreigend) ongeschikt raken voor bestemming) geldt als voorwaarde voor het zijn van een ernstig gebrek, dat het gebrek slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen.
De klachten van de gebouweigenaren tegen het oordeel van het niet zijn van een ernstig gebrek slagen niet volgens de p-g. De p-g wijst erop dat de overwegingen van het hof bij uitstek behoren tot het domein van de feitenrechter en dus niet de hoge raad. De p-g vindt de overwegingen van het hof niet onbegrijpelijk.
Beoordeling ná de door gebouweigenaar getroffen maatregelen
In een aantal klachten van de gebouweigenaar ligt besloten dat hij het hof verwijt dat het hof de vraag van (dreigende) instorting en (dreigend) ongeschikt raken voor de bestemming heeft beantwoord ná de door gebouweigenaar getroffen maatregelen (onderstempelen enkele vloerdelen en niet gebruiken enkele tientallen werkplekken). De gebouweigenaar vindt dat het hof deze vraag had moeten beantwoorden in de situatie zonder deze getroffen maatregelen.
De p-g wijst dit betoog van de hand. Het hof is terecht uitgegaan van een uitleg van § 28 lid 2 onder b UAV-GC volgens welke niet (dreigend) instortingsgevaar of (dreigende) ongeschiktheid voor bestemming zonder meer in aanmerking komt, maar (dreigend) instortingsgevaar of (dreigende) ongeschiktheid voor bestemming dat kan worden verholpen of voorkomen door buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Uitgaande van die uitleg komt wel degelijk ook in aanmerking in hoeverre ná de getroffen maatregelen instortingsgevaar of ongeschiktheid voor bestemming bestaat.
Geschiktheid voor de bestemming van het gebouw als geheel
De gebouweigenaar klaagt ook dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het bestemmingscriterium in § 28 lid 2 onder b UAV-GC. Volgens gebouweigenaar geldt als uitgangspunt dat als een pand de bestemming heeft om te worden gebruikt als kantoor, partijen ervan mogen uitgaan dat deze bestemming voor het gehele pand geldt. Aangezien een deel van het pand niet als kantoor kan worden gebruikt, is sprake van ongeschiktheid voor de bestemming.
De p-g vindt de uitleg van het hof dat het bij het bestemmingscriterium gaat om de geschiktheid voor de bestemming van het gebouw als een geheel, niet onbegrijpelijk. Als in verband met noodzakelijke maatregelen een deel van het gebouw niet kan worden gebruikt, speelt de omvang van dat deel uiteraard mee voor de vraag of het gebouw als geheel nog wel volgens de bestemming kan worden gebruikt. Het niet kunnen gebruiken van enkele tientallen werkplekken en de onderstempeling van enkele vloerdelen is onvoldoende om te kunnen aannemen dat het gebouw niet overeenkomstig zijn bestemming kan worden gebruikt omdat in het gebouw honderden mensen werken en niet is aangevoerd dat die werknemers geen adequate werkplek kunnen vinden.
Arrest hoge raad
De hoge raad moet nog over het cassatieberoep oordelen. Volgens de griffie van de hoge raad zou dat arrest in oktober 2026 komen.




Neem contact op