Gisteren is onze collega Maxime Wichhart geïnterviewd voor het TV-programma EenVandaag over de bescherming van de naam “Limburgse vlaai”. Deze is namelijk beschermde geografische aanduiding (BGA). Vlaai moet dagvers zijn om als Limburgse vlaai te mogen worden verkocht. Een bakker maakte daartegen bezwaar. Maar zonder succes. Het item is hier terug te zien.
Verschillende geografische aanduidingen
Een geografische aanduiding is een intellectueel eigendomsrecht – net als bijvoorbeeld het merkenrecht en auteursrecht. Deze aanduidingen mogen alleen worden gebruikt door producenten uit een bepaald gebied, die zich houden aan specifieke (productie)voorwaarden.
Er bestaan verschillende soorten geografische aanduidingen. De belangrijkste zijn de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) en de beschermde geografische aanduiding (BGA). De eisen voor een BOB zijn strenger dan voor een BGA. Over de verschillen tussen deze twee aanduidingen schreven we eerder al deze blog.
Een bekend voorbeeld van een BOB is Champagne. In september 1973 keurde de Europese Commissie de aanvraag voor deze BOB goed. Sindsdien mag een mousserende wijn alleen worden verkocht als Champagne indien de druiven uitsluitend afkomstig zijn uit de gelijknamige Franse streek. Daarnaast moet aan de vereisten van het productdossier zijn voldaan en moet de wijnboer of het champagnehuis zijn geregistreerd bij de branchevereniging.
De Limburgse vlaai is op dit moment beschermd als BGA. Een BGA kan worden toegekend als een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk hoofdzakelijk is toe te schrijven aan de geografische oorsprong. Zo moet de Limburgse vlaai worden gebakken binnen Belgisch of Nederlands Limburg.
Welke voordelen heeft het voor Limburgse bakkers dat ze de BGA mogen gebruiken?
De geografische aanduidingen hebben tot doel om bescherming te bieden tegen namaak en misleiding van consumenten met betrekking tot de herkomst van het product en bepaalde kwaliteiten die veelal samenhangen met een (traditionele) productiemethode.
Voor bakkers is het gebruik van de BGA ‘Limburgse vlaai’ dus waardevol, in die zin dat zij zich kunnen onderscheiden richting consumenten. Consumenten weten dat ze een échte Limburgse vlaai kopen die gebakken is in Limburg volgens specifieke methoden en dus een kwaliteitsproduct in handen hebben.
Bovendien biedt de BGA juridische bescherming. Op basis van Europese regelgeving kunnen houders van die aanduidingen optreden tegen namaak of misleiding. Zo is bepaald dat de naam ‘Limburgse vlaai’ niet zomaar gebruikt mag worden voor vergelijkbare producten die niet aan de eisen van het productdossier voldoen. Zelfs als een product de naam ‘Limburgse vlaai’ gebruikt op een manier die de reputatie van de Limburgse vlaai uitbuit, afzwakt of verwatert, kan een houder daartegen optreden.
Productdossier
Zoals gezegd mag een vlaai alleen verkocht mag worden onder de naam ‘Limburgse vlaai’ indien deze voldoet aan verschillende eisen. Deze eisen zijn opgenomen in een productdossier (zie hier). Samengevat dient een echte Limburgse vlaai aan de volgende eisen te voldoen:
- De vlaai moet een diameter hebben tussen de 10 en 30 cm;
- De vlaai moet een gewicht hebben tussen de 140 en 1400 gram (afhankelijk van de diameter);
- De bodem van de vlaai is een zoet gistdeeg met een dikte van max. 1 cm, waarvan de textuur vergelijkbaar is met brooddeeg;
- De vulling kan bestaan uit fruit, rijstpap, crème, griesmeelpap, verse kaas, suiker/ei vulling of een combinatie hiervan;
- De vlaai kan een open vlaai, dekselvlaai, reepvlaai of kruimelvlaai zijn. Indien een toplaag wordt toegevoegd, moet deze worden meegebakken;
- De vlaai moet worden gebakken in de Belgische of de Nederlandse provincie Limburg;
- De vlaai mag niet worden ingevroren na het bakken;
- De vlaai mag niet worden nabewerkt of versierd met bijvoorbeeld gelei of slagroom;
- Een taartpunt moet uit de hand kunnen worden gegeten.
Wat als bakkers bezwaar hebben tegen deze eisen?
Gisteren kwam de bescherming van de Limburgse vlaai weer in het nieuws nadat een bakker uit Panningen bezwaar had gemaakt tegen één van de eisen uit het productdossier, namelijk dat de vlaai niet mag zijn ingevroren (ook wel het dagversheidsvereiste). Volgens hem werkt dit voedselverspilling in de hand en biedt dit een voordeel aan kleine bakkers ten opzichte van grotere bakkers. Hij verzocht dan ook om oprekking van die termijn naar “een maximale houdbaarheid van zes dagen” maar het ministerie van Landbouw Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft dit verzoek afgewezen.
Kortom, de echte Limburgse vlaai blijft een dagvers product. De Panningse bakker kan echter nog tot 19 september in beroep tegen het oordeel van het ministerie.
Mocht de eis uiteindelijk in stand blijven, dan staat het bakkers natuurlijk vrij om vlaaien te blijven verkopen die niet aan de eisen van het productdossier te voldoen. Zolang deze niet worden verkocht onder de naam ‘Limburgse vlaai’. Anders bestaat het risico dat de houder van de BGA handhavend optreedt of de Voedsel- en warenautoriteit een boete oplegt.
Heeft u vragen over geografische aanduidingen? Onze advocaten van de sectie IE, IT en privacy helpen u hierbij graag verder.




Neem contact op